Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8496

Datum uitspraak2004-07-01
Datum gepubliceerd2004-07-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/568 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking hoger beroep. Geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan. Proceskostenvergoeding.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/568 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. INLEIDING Namens verzoeker heeft mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij FNV Ledenservice te Weert, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht van 18 december 2002 tussen partijen gegeven uitspraak. Bij schrijven van 19 februari 2003 heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, meegedeeld de zaak te hebben overgenomen van mr. Mertens, voornoemd. Bij brief van 8 mei 2003 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 13 april 2004 heeft de gemachtigde van verzoeker het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht, gedaagde in de proceskosten te veroordelen. Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. II. MOTIVERING Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn voormelde artikelen op het hoger beroep van overeenkomstige toepassing. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van verzoeker het hoger beroep heeft ingetrokken omdat gedaagde aan het gevorderde in beroep is tegemoet gekomen. Gedaagde heeft de Raad doen weten geen verweer te voeren terzake van de gevraagde proceskostenveroordeling. Gelet op het vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:75 van de Awb, en gedaagde in de kosten te veroordelen. Die kosten dienen aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld te worden op € 483,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en een 0,5 punt voor het verschijnen ter comparitie) aan verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift) aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 805,--. Verzoeker dient zich ingevolge artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet, rechtstreeks tot gedaagde te wenden voor vergoeding van het gestorte griffierecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot € 805,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk- van den Oudenalder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2004. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.